Laatste projecten

oekraine-kieskompas

Stemhulp voor het Oekraïne-
referendum 2016

Referendum over de
associatieovereenkomst
EU-Oekraïne

usa-kieskompas

Stemhulp voor Amerikaanse verkiezingen 2016

Voor zowel de voorverkiezingen als de presidentiele verkiezingen van de Verenigde Staten heeft Kieskompas een stemhulp ontwikkeld waarbij...

UK-eletions

Stemhulp voor Britse verkiezingen 2015

Kieskompas heeft voor de verkiezingen van de Verenigd Koninkrijk..

israel-last-project

Stemhulp voor Israëlische verkiezingen

Voor de derde keer heeft Kieskompas een tool gemaakt voor de Israëlische verkiezingen.

debat

Levend Kieskompas
in de Klas

Kieskompas presenteert een uniek en vernieuwend concept voor middelbare scholen: Levend Kieskompas in de Klas.

Alles

Nieuws

Column André

Column: Politiek afval

Na de afslachting van GroenLinks in de Tweede Kamerverkiezingen gaan veel stemmen op voor een fusie van die partij met de PvdA of D66. Alleen de laatste is een reële optie als je kijkt naar de achtergrond van de kiezers van die partijen. GroenLinks en D66 zijn vrij elitair, met vooral hoogopgeleide kiezers en beide partijen leggen veel nadruk op het milieu in hun programma. De PvdA is een ander politiek dier.

Nadenken over een fusie is voorbarig. GroenLinks heeft wel degelijk een zelfstandig bestaansrecht. In steden waar GroenLinks in het college van B en W zit, weet de partij een flink stempel te drukken op het milieubeleid. Zaken als milieuvriendelijk onderhoud van de openbare ruimte en afvalscheiding sluiten nauw aan bij de groene idealen die kiezers met de partij associëren. Groene politiek heeft het gedrag van consumenten, bedrijven en overheden drastisch gewijzigd.

Het probleem van GroenLinks ligt dus niet in politieke onzichtbaarheid of de afwezigheid van sterke strijdpunten, maar op het personele vlak. Ondanks het sociale beleid dat linkse partijen voorstaan, gaan ze vaak beroerd slecht om met hun eigen politiek personeel.

Jolande Sap is feitelijk als afval aan de straat gezet. Door een paniekerig en zwalkend partijbestuur. Natuurlijk was het rampzalig dat een activistische en idealistische partij als GroenLinks poogt ineens gouvernementeel te zijn. Het heeft de partij diep verscheurd en leidde tot waandenkbeelden bij een politiek lichtgewicht als Tofik Dibi om een gooi naar het leiderschap te doen.

Jolande Sap vergat ook waar ze voor in de Kamer zat en poogde met een geforceerde en totaal mislukte ‘stekkergrap’ het kabinet te laten wankelen. Dat niemand in GroenLinks het antwoord van Geert Wilders had voorzien (dat ‘de stekker er bij Sap nooit heeft ingezeten’) is tekenend voor de roerloze partij.

De rechtse koers van de partij is dodelijk en onnodig, we hebben D66 al als rechts-progressieve partij. Instemmen met een militaire missie (nee, het zijn niet alleen politieagenten) door een partij met pacifisten in de gelederen is gewoon politieke zelfmoord. En een begrotingsakkoord tekenen met vier rechtse partijen vergt wel wat meer uitleg dan Sap kon geven.

Maar om Sap zo bij het straatvuil te zetten, is schandalig. Voor een partij met een ‘pacifistische’ traditie zijn er opvallend veel backstabbers in de gelederen. GroenLinks gaat zorgvuldiger om met afval dan met haar eigen mensen.

Column: Baantjescarrousel

Na iedere verkiezing komt aan veel carrières in de landelijke politiek een abrupt einde. En veel van deze politici storten zich vervolgens op de lokale en provinciale politiek.

Zo heeft de electorale slachting van het CDA veel Christendemocratische politici werkloos gemaakt. Terwijl een enkeling zijn geluk gaat beproeven in de private sector, zijn veel ex-Kamerleden momenteel naarstig op zoek naar een nieuwe publieke functie. Elsevier wist te melden dat zowel Marja van Bijsterveldt als Joop Atsma azen op de post van commissaris van de Koningin in Zeeland, terwijl een handvol andere oud-Kamerleden een burgemeesterspost hoopt te bemachtigen. Het is onduidelijk of de lokale bevolking zit te wachten op deze politici.

Natuurlijk zal de komst van landelijke politici door sommigen worden verwelkomd als een positieve ontwikkeling. Landelijke politici brengen hun expertise en politieke netwerk mee naar het stadsdeel, de gemeente of de provincie. Maar de komst van Kamerleden kan ook tot spanningen leiden in fracties, want veelbelovende jonge politici zien door het parachuteren van een partijbons hun kansen op een wethouderspost of die van Gedeputeerde verdwijnen. Aan burgers wordt al helemaal niets gevraagd.

De sterke centrale controle van de politieke partijen over de samenstelling van fracties, gekoppeld aan de gesloten benoemingscultuur, is een van de kwalen van de Nederlandse politiek.

Het leidt tot onfrisse taferelen, zoals de poging om het voormalige PvdA-Kamerlid John Leerdam te benoemen als stadsdeelvoorzitter in Amsterdam-Zuidoost. Leerdam verloor al zijn geloofwaardigheid toen hij in een radioprogramma van Giel Beelen beweerde inside information te hebben over de notoire straatterrorist Jaël Jablabla – een door Beelen verzonnen naam. Te elfder ure besloot de lokale PvdA alsnog Leerdam te passeren ten faveure van Tjeerd Herrema, die als oud-wethouder mede verantwoordelijk was voor het financiële fiasco van de Noord/Zuidlijn. Het is goed denkbaar dat beide politici een open verkiezing niet hadden gewonnen. Dan had hun eerdere functioneren absoluut onderdeel uitgemaakt van de verkiezingscampagne.

De benoemingscultuur in Nederland wordt meestal verdedigd met het argument dat je goed gekwalificeerde bestuurders krijgt die boven de partijen kunnen staan. Maar dat argument gaat mank, omdat het juist vaak de loyale partijtijgers zijn die op bestuurlijke functies worden benoemd.

Terwijl politici overal de competitie en vrije markt willen introduceren, is bij hun eigen aanstelling competitie blijkbaar minder gewenst. Het wordt tijd dat Nederland een fundamentele omslag maakt van deze ‘benoemingscultuur’ (appointive culture) naar een ‘verkiezingscultuur’ (elective culture’). Laat burgers zelf direct hun burgemeesters en wethouders kiezen.

Column: Vrouwelijke ministers

 

Ik word niet vaak voor een ministerspost getipt en was dus gevleid dat Monique Samuel mij in het programma 1 Voor de Verkiezingen onlangs noemde als mogelijke minister van Onderwijs. Wel vreemd dat zij dit deed na een pleidooi voor meer vrouwelijke ministers.

Als je maar één persoon kunt kiezen voor een belangrijke functie, dan wordt kennelijk meteen aan een man gedacht, ook door vrouwen zelf. Macht en invloed worden geassocieerd met mannen. Vrouwen krijgen andere kwaliteiten toegedicht. Benoemers denken bij hoge uitzondering aan een vrouw.

Een quotum is een mogelijke oplossing. Linkse politieke partijen gaan daarin het verst. Zo had de PvdA de gewoonte om mannen en vrouwen om en om op de lijst te zetten. Bij de afgelopen Kamerverkiezingen werd dit principe losgelaten, maar de partij hield wel vast aan een gelijke verdeling. En Diederik Samsom beloofde vlak voor de verkiezingen dat minstens de helft van de PvdA-ministers een vrouw zal zijn.

Tegen een vrouwenquotum pleit dat het onbedoeld een belediging is van miljoenen zelfbewuste en gekwalificeerde vrouwen. Alsof ze niet op eigen kracht tot de top kunnen doorstoten. Elke vrouw op een toppositie blijft dan met het knagende gevoel zitten dat ze niet alleen vanwege haar kwaliteiten is benoemd. Er zitten dus straks drie PvdA-ministers in het kabinet die zich elke dag afvragen of ze wel waren geselecteerd als niet naar een vrouw was gezocht.

Het belangrijkste argument vóór een vrouwenquotum is dat het ‘glazen plafond’ moet worden doorbroken, zodat de ‘old-boys-networks’ elkaar niet eindeloos de bal blijven toespelen. Zodra iedereen ziet dat een vrouw een functie net zo goed kan vervullen, gaat daar bovendien een emanciperende werking van uit.

Het gevaar van verplichte benoeming is dat het vrouw-zijn zelf tot een kwaliteit wordt gemaakt, waardoor bij zichtbaar falen ‘vrouwelijke kenmerken’ de schuld krijgen. Alleen ‘kenaus’ of ‘manwijven’ kunnen overleven in de harde mannenwereld, terwijl de ‘excuus-Truus’ door de mand valt. Kijk naar de reacties als vrouwelijke politici huilen bij hun gedwongen vertrek.

Bijna zestig jaar na Marga Klompé is het blijkbaar nog steeds nodig om bij een kabinetsformatie emancipatiegolfje te spelen. Overigens ken ik een aantal zeer kundige vrouwen voor de functie van minister van Onderwijs.

Column: Crisis verdiept

GESCHREVEN OP donderdag, 13 september, 2012 – 08:36

André Krouwel, politicoloog aan de VU en wetenschappelijk directeur van Kieskompas
Partijleiders waren door de vele debatten niet van de buis te slaan tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen. En eindelijk ging het debat vooral over de crisis. Nederlanders zijn wakker geworden en beseffen dat islam en hoofddoekjes niet de belangrijkste thema’s ter wereld zijn, maar dat de eurocrisis moet worden opgelost.

De strijd concentreert zich op financieel-economische onderwerpen, vooral bezuinigingen en de hoogte van belastingen. Vreemd genoeg zwijgen de partijprogramma’s over wat er gaat gebeuren met lokale belastingen. Alleen D66 maakt een heel obligate opmerking dat de OZB ‘passend’ moet zijn.

De bezuinigingen zullen de komende jaren vooral gemeenten hard treffen. En lokale besturen hebben weinig manoeuvreerruimte, vooral door het kleine ‘belastinggebied’. Lokale overheden zijn voor het overgrote deel van hun inkomen afhankelijk van het Rijk. Het is te verwachten dat gemeenten de klappen zullen pogen op te vangen door lokale tarieven en belastingen – vooral de OZB – te verhogen. Linksom of rechtsom krijgen de burgers de rekening gepresenteerd.

Als burgers minder hypotheekrente kunnen aftrekken en daarnaast ook nog eens meer OZB moeten betalen, zou de crisis op de huizenmarkt zich wel eens kunnen verdiepen. Immers, de waarde van huizen loopt terug, maar de OZB was afgelopen april voor veel mensen al veel hoger. Vreemd, als je weet dat het huis vaak minder waard is geworden. De OZB lijkt meer bepaald te worden door de financiële situatie van de gemeente dan door de logica van de huizenmarkt.

Door de politieke instabiliteit op landelijk niveau heeft de economische crisis de portemonnee van de burgers nog niet bereikt. Als Nederland na 12 september eindelijk een stabiel kabinet krijgt dat echt bezuinigt, zullen gemeenten inleveren. Maar wethouders willen liever geen voorzieningen wegbezuinigen en zullen de makkelijkste manier kiezen om inkomsten te verhogen: de OZB. Burgers die hun koopkracht achteruit zien hollen, zullen minder consumeren, minder investeren en grote aankopen uitstellen. Gemeenten zullen de crisis verdiepen.

Column: Fusie-fetisjisme

 

Volgens D66-Kamerlid Gerard Schouw kan de helft van de Nederlandse gemeenten verdwijnen en blijven er maar een stuk of 200 over. Het D66-verkiezingsprogramma stelt dat alleen grote en krachtige gemeenten het groeiende aantal taken op het gebied van zorg, welzijn en sociale zekerheid, aankunnen. D66 is te eenzijdig gericht op efficiency.

Ook de VVD wil ‘gemeentelijke fusies en samenwerking stimuleren’ en deinst er niet voor terug om van bovenaf fusies te initiëren. De PVV is al even visieloos in haar opvatting dat kleine gemeenten onvoldoende in staat zouden zijn het steeds groter wordende takenpakket uit te voeren.

Het CDA is voorzichtiger – veel van zijn kiezers wonen in kleine gemeenten – en stelt dat gemeenten zelf moeten besluiten tot herindeling, behalve als een fusie ‘de enige oplossing is’. Ondanks een leven lang christelijk onderwijs heb ik christen-democratisch taalgebruik nooit echt kunnen doorgronden, maar volgens mij zet dit de deur wagenwijd open voor gedwongen fusies.

Waarom zijn de rechtse partijen zo eenzijdig gericht op de dwangbuis van permanente schaalvergroting en gelijkgeschakelde taakuitbreiding van gemeenten? Weinig tot niets is in de programma’s te vinden over de meest voor de hand liggende (ook door de VNG bepleite) variatie in gemeentegrootte en takenpakket.

Meer ‘asymmetrie’ dus en niet alle gemeenten dezelfde format door de strot duwen. In het westen is het wellicht beter om krachtiger gemeenten te hebben met veel sociale slagkracht om grootsteedse problemen op te lossen, maar geldt dat ook voor het oosten?

Ook de SP mankeert het aan visie. Net als de PVV ziet deze partij het referendum als beste middel om te bepalen welke gemeenten moeten fuseren. Deze populisten weten natuurlijk ook wel dat er dan niet één meer fuseert. Waarom dan niet gewoon een eerlijk pleidooi houden voor kleinschaligheid en daar ook bij zeggen wat de kosten zijn? Is zeker slecht voor de SCP-doorberekeningen?

De PvdA gaat een geheel andere kant op en pleit voor decentralisatie binnen (steeds) grotere gemeenten, dus meer stadsdelen en deelgemeenten. Gemeenten kunnen taken overdragen naar ‘centrumgemeenten’ waardoor zij een asymmetrisch takenpakket krijgen. Iets te ingewikkeld wellicht, maar origineler dan het fusie-fetisjisme van rechts en de populistische doodlopende weg van referenda.

Hopelijk heeft de minister van BZK in het volgende kabinet meer visie over wat er met gemeenten moet gebeuren. Maar die kunt u niet kiezen op 12 september.

Column: Amsterdam 2028? Nee!

 

Ranomi’s haar was nog niet droog en Epke was nog niet geland, of Willem-Alexander brak bij Mart Smeets al een lans voor het naar Nederland halen van de Olympische Spelen. Wat een absurde geldverspilling. Schijnt Londen bijna twaalf miljard euro te hebben gekost!

Natuurlijk waren de Olympische Spelen één grote reclamecampagne voor de Britse hoofdstad, ondanks de falende beveiliging en de tegenvallende kaartverkoop. Maar terwijl het Internationaal Olympisch Comité veel verdiende aan de sponsorcontracten, draaien de Londenaren nu op voor de kosten.

Vanwaar toch die fascinatie voor topsport? Natuurlijk is het prachtig dat al die sporters – na jarenlange opoffering – zo’n gouden plak winnen. Maar de moderne Olympische Spelen zijn door Pierre de Coubertin niet opgezet om geld te verdienen of aan city-marketing te doen. En iedereen vergeet dat al die ‘topsporters’ ooit bij een gewone club als vijfjarig jochie of meisje zijn binnengekomen. En dat vrijwilligers die jongens en meiden jarenlang zonder betaling hebben getraind, totdat een goedbetaalde scout ze meenam naar Papendal.

Nederlandse wethouders en burgemeesters keken watertandend naar de Spelen als middel om hun stad te promoten en investeringen aan te trekken. Maar zij kunnen zich beter richten op de breedtesport, want sportclubs hebben het zwaar te verduren. Vooral in krimpgebieden, die tevens met vergrijzing kampen, moeten amateurverenigingen worstelen om het hoofd boven water te houden.

Door de economische crisis hebben ook in steden steeds meer gezinnen moeite de oplopende kosten voor de sport van hun kinderen te betalen. Wanneer ouders dan maar besluiten het betalen van contributie een jaartje over te slaan, zijn veel sportverenigingen ten dode opgeschreven, zeker als ook de gemeentelijke steun wegvalt.

Het verdwijnen van de breedtesport is niet alleen funest voor de sociale cohesie, maar ook schadelijk voor de volksgezondheid. Juist nu obesitas een steeds groter probleem wordt, moeten we kinderen achter hun computer vandaan trekken en het sportveld op of de gymzaal in.

Het is onzin te beweren dat het binnenhalen van de Olympische Spelen de breedtesport een ‘boost’ zullen geven. Met het verdwijnen van de gewone sportverenigingen drogen ook de Ranomi’s en Epke’s op. Kinderen zullen ongezonder leven en meer rottigheid uithalen. Amsterdam 2028? Nee!

Kieskompas voor Tweede Kamerverkiezingen 2012 gelanceerd

Kieskompas voor Tweede Kamerverkiezingen 2012 gelanceerd

12 september gaat Nederland opnieuw naar de stembus, voor de vijfde keer in tien jaar. Kiezers die willen weten welke partij het beste past bij hun eigen politieke voorkeuren kunnen ook dit keer bij Kieskompas terecht. Kieskompas is niet eendimensionaal in tegenstelling tot de andere stemhulpen. Het geeft een goed beeld van de positie van de kiezer in het totale politieke krachtenveld. Kieskompas is ontwikkeld aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Nuanceverschillen tussen partijen
Door het beantwoorden van dertig helder geformuleerde stellingen over de belangrijkste politieke issues in ons land, van de euro tot het ontslagrecht, worden bezoekers van de website in het Nederlandse politieke landschap geplaatst. Op deze wijze zien zij direct welke partijen het meest aansluiten bij hun opvattingen en met welke partijen de inhoudelijke afstand groot is. Kieskompas dwingt partijen en bezoekers geen ongenuanceerde posities in te nemen, maar biedt hen vijf antwoordmogelijkheden, variërend van ‘helemaal niet mee eens’ tot ‘helemaal mee eens’. Op deze manier worden cruciale nuanceverschillen tussen partijen blootgelegd en is het maken van écht onderscheid mogelijk. De plaatsingen van partijen vindt nauwgezet plaats aan de hand van hun verkiezingsprogramma en andere officiële partijteksten.

Veranderd politiek landschap
Het Nederlandse politieke landschap anno 2012 is meer gepolariseerd dan ooit. De traditionele partijen van het politieke centrum – de PvdA en CDA – zijn meer naar de uiteinden van het politieke spectrum opgeschoven. Hierdoor wordt het moeilijker voor deze twee partijen om de grote groepen kiezers in het politieke midden aan te spreken en links en rechts in Nederland met elkaar te verbinden.

Lancering website
Kieskompas lanceert de website vandaag in nauwe samenwerking met het dagblad Trouw, magazine HP/De Tijd, de EO en onderzoeksbureau Ipsos Synovate. Tijdens de verkiezingen maken deze mediapartners verslag van de trends die de onderzoekers van Kieskompas aantreffen onder de kiezers.

Column: Ambtenaren en schoolmeesters

Alle kandidaat-Kamerleden zijn bekend. Het maakt niet meer uit wat partijleden nog doen op congressen of u in het stemhokje, we krijgen sowieso een parlement vol ambtenaren, schoolmeesters en beroepspolitici.

Alle politieke partijen komen met hetzelfde soort ‘volks’-vertegenwoordiger: het overgrote deel is man, gemiddeld ouder dan 43 jaar en universitair opgeleid en het zijn voornamelijk beroepspolitici of ze komen rechtstreeks uit de ambtenarij.

De VVD als partij voor de ondernemer? Niks ervan: er staat zegge en schrijve één ondernemer bij de eerste veertig kandidaten. De PVV blijkt helemaal geen ‘partij van buiten’: Geert Wilders zit al sinds mensenheugenis in de Kamer en verder staan er alleen zittende Kamerleden en ambtenaren op de PVV-lijst. De SP is ook geen partij van de ‘gewone man’: allemaal hoogopgeleide academici op de lijst. GroenLinks valt door de mand als partij met tentakels in het actiewezen: er staat niemand van buiten het openbaar bestuur op een verkiesbare plaats.

Ironisch genoeg komt het CDA – voorheen toch een partij van ervaren bestuurders – nog met de meeste mensen van buiten de politiek. Een hele schare aan CDA-jongelingen moet de partij uit het electorale dal trekken. Hoewel politieke partijen inhoudelijk wel degelijk van elkaar verschillen, lijken ze zeer sterk op elkaar wat betreft rekruteringspatroon. Ongeacht de originele ideologie en huidige standpunten, denken ze allemaal dat ambtenaren en schoolmeesters de partijvisie het beste kunnen uitdragen.

Er is in Nederland een klasse van beroepspolitici ontstaan, die zich hebben gespecialiseerd in hun vak. Deze professionalisering van het politieke metier zult u ook uit uw eigen gemeentebestuur wel herkennen. Het is een trend die ook elders in Europa zichtbaar is. In een recent onderzoek heb ik gegevens verzameld over de achtergrond van parlementariërs in Europese democratieën en daarin zie je een heel duidelijke trend.

Het aandeel ambtenaren in Europese parlementen is gestegen van rond de 35 procent in de jaren vijftig tot bijna zestig procent in het begin van deze eeuw. Ook het percentage professoren en andere schoolmeesters is gestegen van tien naar ruim twintig procent in de afgelopen zestig jaar. De meeste parlementen in Europa bestaan nu voor ruim driekwart uit ambtenaren en schoolmeesters.

Natuurlijk is het prima dat kundige mensen die er voor hebben doorgeleerd onze wetten maken en de regering controleren. Maar in de aanvaarding van al die besluiten kan wel een probleem ontstaan. Door de smalle rekrutering hebben nog maar weinig parlementariërs verstand van bijvoorbeeld de industriële sector of het bankwezen.

Als er een paar bankiers in het parlement hadden gezeten, dan hadden die ons misschien kunnen waarschuwen voor de wanpraktijken die daar plaats hadden. Dan was wellicht het toezicht niet zo versoepeld en zou er binnen de Kamerfracties nu kennis zijn over hoe we deze gigantische financiële crisis moeten oplossen.

Maar er zitten geen bankiers. En ook veel andere beroepsgroepen zullen nooit een collega in de Kamerbanken aantreffen. Ook de komende jaren niet.

Column: Ambtenaren en schoolmeesters

André Krouwel, politicoloog aan de VU en wetenschappelijk directeur van Kieskompas

Alle kandidaat-Kamerleden zijn bekend. Het maakt niet meer uit wat partijleden nog doen op congressen of u in het stemhokje, we krijgen sowieso een parlement vol ambtenaren, schoolmeesters en beroepspolitici.

Alle politieke partijen komen met hetzelfde soort ‘volks’-vertegenwoordiger: het overgrote deel is man, gemiddeld ouder dan 43 jaar en universitair opgeleid en het zijn voornamelijk beroepspolitici of ze komen rechtstreeks uit de ambtenarij.

De VVD als partij voor de ondernemer? Niks ervan: er staat zegge en schrijve één ondernemer bij de eerste veertig kandidaten. De PVV blijkt helemaal geen ‘partij van buiten’: Geert Wilders zit al sinds mensenheugenis in de Kamer en verder staan er alleen zittende Kamerleden en ambtenaren op de PVV-lijst. De SP is ook geen partij van de ‘gewone man’: allemaal hoogopgeleide academici op de lijst. GroenLinks valt door de mand als partij met tentakels in het actiewezen: er staat niemand van buiten het openbaar bestuur op een verkiesbare plaats.

Ironisch genoeg komt het CDA – voorheen toch een partij van ervaren bestuurders – nog met de meeste mensen van buiten de politiek. Een hele schare aan CDA-jongelingen moet de partij uit het electorale dal trekken. Hoewel politieke partijen inhoudelijk wel degelijk van elkaar verschillen, lijken ze zeer sterk op elkaar wat betreft rekruteringspatroon. Ongeacht de originele ideologie en huidige standpunten, denken ze allemaal dat ambtenaren en schoolmeesters de partijvisie het beste kunnen uitdragen.

Er is in Nederland een klasse van beroepspolitici ontstaan, die zich hebben gespecialiseerd in hun vak. Deze professionalisering van het politieke metier zult u ook uit uw eigen gemeentebestuur wel herkennen. Het is een trend die ook elders in Europa zichtbaar is. In een recent onderzoek heb ik gegevens verzameld over de achtergrond van parlementariërs in Europese democratieën en daarin zie je een heel duidelijke trend.

Het aandeel ambtenaren in Europese parlementen is gestegen van rond de 35 procent in de jaren vijftig tot bijna zestig procent in het begin van deze eeuw. Ook het percentage professoren en andere schoolmeesters is gestegen van tien naar ruim twintig procent in de afgelopen zestig jaar. De meeste parlementen in Europa bestaan nu voor ruim driekwart uit ambtenaren en schoolmeesters.

Natuurlijk is het prima dat kundige mensen die er voor hebben doorgeleerd onze wetten maken en de regering controleren. Maar in de aanvaarding van al die besluiten kan wel een probleem ontstaan. Door de smalle rekrutering hebben nog maar weinig parlementariërs verstand van bijvoorbeeld de industriële sector of het bankwezen.

Als er een paar bankiers in het parlement hadden gezeten, dan hadden die ons misschien kunnen waarschuwen voor de wanpraktijken die daar plaats hadden. Dan was wellicht het toezicht niet zo versoepeld en zou er binnen de Kamerfracties nu kennis zijn over hoe we deze gigantische financiële crisis moeten oplossen.

Maar er zitten geen bankiers. En ook veel andere beroepsgroepen zullen nooit een collega in de Kamerbanken aantreffen. Ook de komende jaren niet.

Column: Partijprogramma

In het jongste VNG Magazine staat een aantal interviews met lokale politici die hebben meegeschreven aan de landelijke verkiezingsprogramma’s van hun partij voor de Tweede Kamerverkiezingen in september. Zeer voorspelbaar benadrukken deze lokale politici hun eigen rol en inbreng in hun programcommissie. Zo poogt de lokale CDA-politica de Haagse bemoeienis met het lokale niveau terug te dringen, terwijl het PvdA-raadslid en de VVD-wethouder de inhoudelijke inbreng benadrukken. Maar de invloed van deze lokale politici op de tekst zal marginaal zijn, omdat het partijprogramma veel te belangrijk is voor machtsvorming in de nationale politiek. Dan tellen lokale belangen niet.
Natuurlijk is de ontwikkeling van nieuwe beleidsideeën een belangrijke functie van een verkiezingsprogramma, maar andere functies zijn relevanter. De belangrijkste functie van een nationaal partijprogramma is om aan kiezers – en aan journalisten – te laten zien waar de partij voor staat. Bij gevestigde partijen met een lange traditie is het daarom van belang een aantal issues en standpunten te benadrukken waar de partij aan wordt herkend door kiezers. Verkiezingsprogramma’s moeten een zekere continuïteit en consistentie hebben over de jaren zodat het kernelectoraat van de partij kan zien dat de partij nog steeds staat voor de dingen waar die ooit voor was opgericht.

Een verkiezingsprogramma moet ook nieuwe ideeën bevatten en innovatieve oplossingen voor recente problemen. Politieke partijen kunnen immers alleen overleven als zij zich aanpassen. Nieuwe partijen moeten duidelijk maken wat zij eigenlijk toevoegen aan het politieke landschap. Namen als ‘Democratisch Keerpunt’ leiden tot hooggespannen verwachtingen, maar waarschijnlijk gaat deze fusie van Trots en ex-PVV’er Brinkman niet met vernieuwende ideeën komen. Rita Verdonk’s Trots faalde in 2010 volkomen in de ontwikkeling van ideeën.

Een verkiezingsprogramma is ook belangrijk voor het interne partijleven. Het dient om iedereen in de partij weer even te laten focussen op waar men als partij voor staat en heeft dus – als het goed is – een verbindende en enthousiasmerende werking op partijactivisten. Intellectuelen en beleidsdeskundigen, bestuurders uit de praktijk en actieve leden kunnen allemaal inbreng hebben. Het kan natuurlijk ook mis gaan: als een partij intern verdeeld is dan kan de vorming van een programma leiden tot conflicten, of zelfs tot interne scheuring in de partij. Een programma maken is dus ook een lakmoesproef voor de interne cohesie van een partij. Omdat het schrijven van een verkiezingsprogramma meestal gepaard gaat met het opstellen van een nieuwe kandidatenlijst is dit eveneens het moment voor een partij om de juiste gezichten (en hersenen) bij het verhaal te vinden.

Daarnaast heeft het partijprogramma ook nog een externe functie naar de andere partijen in het partijstelsel en naar de kiezers. De concurrenten kunnen dan zien op welke punten een partij bereid is tot concessies en compromissen. Een partijprogramma toont dus ook de koalitionsfahigkeit van een politieke partij. Vaak worden beleidsvoorstellen opzettelijk vaag gehouden of zelfs helemaal geëlimineerd om potentiële coalitiepartners niet af te schrikken. Of worden juist beleidsstandpunten sterk benadrukt om wisselgeld te creëren bij de onvermijdelijke coalitieonderhandelingen.

Tenslotte is een verkiezingsprogramma ook een strategisch document voor kiezers toe die niet tot het kernelectoraat behoren. Die wisselende kiezers kunnen worden aangetrokken door bepaalde issues sterk te benadrukken of juist heel voorzichtig te zijn. Zo is de vermindering van de hypotheekrenteaftrek een gevaarlijk issue voor partijen die veel wisselende kiezers uit de middenklasse trekken. Kortom het landelijke verkiezingsprogramma is te belangrijk om aan lokale politici over te laten.