Laatste projecten

oekraine-kieskompas

Stemhulp voor het Oekraïne-
referendum 2016

Referendum over de
associatieovereenkomst
EU-Oekraïne

usa-kieskompas

Stemhulp voor Amerikaanse verkiezingen 2016

Voor zowel de voorverkiezingen als de presidentiele verkiezingen van de Verenigde Staten heeft Kieskompas een stemhulp ontwikkeld waarbij...

UK-eletions

Stemhulp voor Britse verkiezingen 2015

Kieskompas heeft voor de verkiezingen van de Verenigd Koninkrijk..

israel-last-project

Stemhulp voor Israëlische verkiezingen

Voor de derde keer heeft Kieskompas een tool gemaakt voor de Israëlische verkiezingen.

debat

Levend Kieskompas
in de Klas

Kieskompas presenteert een uniek en vernieuwend concept voor middelbare scholen: Levend Kieskompas in de Klas.

Alles

Nieuws

Column André

Column: Bestuurlijk kolonialisme

Deze week was er veel politieke beroering over Curaçao. De commissie-Rosenmöller deed onderzoek naar de integriteitsproblemen in dit rijksdeel. Het rapport is vernietigend: er bestaat grote twijfel aan de integriteit van sommige machthebbers en er is tussen de regering en de centrale bank een totaal onwerkbare situatie ontstaan. Daarnaast was de screening van ministers onvoldoende, waardoor er nu drie kabinetsleden zijn tegen wie harde aantijgingen van corruptie bestaan.

Allerlei zeer basale democratische procedures zijn niet nagekomen. Politici op Curaçao voelden er weinig voor om verantwoording af te leggen aan de voormalige kolonisator. Geen van de ministers of statenleden wilde met de commissie-Rosenmöller spreken.

Nu lees ik in VNG Magazine dat ook een en ander democratisch spaak loopt in de drie ‘bijzondere gemeenten’ die Nederland sinds een jaar kent in de Caraïben: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bij deze drie ‘openbare lichamen’ constateerde Rijksvertegenwoordiger Wilbert Scholte al eerder dit jaar dat er sprake is van ongewenste vermenging van commerciële en politieke functies en dat mensen niet worden benoemd op basis van hun verdiensten, maar omdat ze familie of bekenden zijn van politici.
Ook houdt men zich nauwelijks aan de democratische procedures. Experts adviseren om daar eerst maar eens te beginnen met het organiseren van een basis-vergaderstructuur. Er bestaan geen vergaderkalenders, agenda’s en stukken worden niet tijdig geleverd. Ook hier krijgen diegenen die hun koloniale vingertje opsteken, nul op het rekest.

Waarom komen deze rijksdelen zo makkelijk weg na deze kritiek? Waarom hebben de bijzondere gemeenten zo’n hoge mate van autonomie gekregen en waarom durft de minister niet echt in te grijpen? Expert Arthur van den Brink vraagt in VNG Magazine om begrip: ‘Bonairianen denken nu eenmaal niet in procedures, maar stappen naar een vriend die dicht bij het vuur zit.’

De politieke cultuur die van den Brink beschrijft, heet in de wetenschappelijke literatuur ‘cliëntelisme’. Machtige patronen (politieke bazen) hebben onderdanen (cliënten of onderdanen) die om gunsten moeten vragen. Er zijn dus geen democratische rechten, enkel de willekeur van machtshebbers bepaalt wat je wel of niet krijgt. Het cliëntelisme is wijd verbreid. Deze politieke cultuur begint al in het zuiden van ons land en is dominant in alle landen ronde de Middellandse Zee. De meest bekende op dit moment is Silvio Berlusconi, die het tot premier van zijn land heeft geschopt.

Eigenlijk is wat we in een klein deel van Noord Europa hebben zeer uitzonderlijk. De meeste burgers op deze planeet leven onder het juk van de willekeur van corrupte politici. Het enige dat helpt is dat burgers in die landen – en de nieuwe Nederlandse gemeenten – zelf hun vingertje opsteken en het niet langer pikken. Geef dus geen nutteloze cursussen ’dualisme’ aan politici, maar leer burgers hoe ze in opstand moeten komen.

Column: Leiderschapscrisis

Afgelopen week stond het leiderschap van PvdA-voorman Job Cohen centraal. De teneur was: de goede man is onzichtbaar en zou te weinig weerwoord hebben tegen het verbale geweld van Wilders.
Het is typisch voor deze tijd dat het debat over Cohens leiderschap zich toespitst op persoonskenmerken en vaardigheden. De dieperliggende, structurele problematiek wordt daarmee volkomen uit het oog verloren.
Allereerst moeten we vaststellen dat de leiderschapscrisis zich niet beperkt tot de PvdA. Ook het CDA ontbeert een aansprekend leider. Vergeet niet dat na Lubbers het CDA al een stuk of vijf leiders heeft versleten en dat Verhagen bepaald geen electoraal kanon is. Uit het Synovate-onderzoek naar politici in Nederland bungelt Verhagen onderaan als een van de meest onsympathieke ministers in dit kabinet. Het CDA staat op vijftien zetels in de peilingen, terwijl deze partij in de jaren tachtig nog ruim vijftig zetels behaalde en de Christendemocraten na de Tweede Wereldoorlog een meerderheid in de Tweede Kamer vormden.
De VVD lijkt wat gekalmeerd onder Rutte, maar onze goedlachse premier won ternauwernood een aanval op zijn leiderschap door Verdonk. Vergeet ook niet dat Wilders’ PVV is voortgekomen uit een scheuring in de liberale fractie.
En de leiderschapscrisis beperkt zich niet tot het Haagse Binnenhof. Zowel op lokaal niveau als buiten onze grenzen hebben politici van traditionele volkspartijen grote problemen met het vertalen van het klassieke gedachtengoed naar de moderne tijd. Structurele veranderingen in de economie en samenleving hebben de buitenwereld van partijen volkomen getransformeerd. En partijen hebben zich onvoldoende aangepast. Daardoor ontstaat een groot probleem bij de centrale functie van politieke partijen: de rekrutering van kundige, betrouwbare en aansprekende politici.
Op lokaal niveau kwijnen veel lokale afdelingen van politieke partijen weg. Het wordt steeds moeilijker mensen te vinden die de politiek in willen en daar drie of vier avonden beschikbaar voor zijn. De pool waaruit wordt gerekruteerd, is de afgelopen decennia sterk versmald naar ‘ambtenaren en schoolmeesters’.
Cohen zelf komt van de universiteit, en dat is ook een school. De partijen klampen zich vast aan de staat en hebben steeds minder maatschappelijke tentakels. Hoe vaak komt het niet voor dat een ambtenaar in gemeente A, wethouder of raadslid is in gemeente B.
Er is een ‘klasse van beroepspolitici’ ontstaan die wellicht goed kunnen besturen, maar weinig op hebben met campagne voeren en inspirerende politiek bedrijven. Omdat ze allemaal voor de staat werken of in door de staat betaalde banen, spreken ze niet de straattaal van Henk en Ingrid, maar de ambtenarentaal van het gemeentehuis. Cohen gebruikte in de laatste verkiezingscampagne woorden als ‘beleidsresistentie.’ Henk en Ingrid zappen dan onmiddellijk naar SBS6.
Cohen is geen politicus en hij wordt het ook nooit. Hij is een bestuurder. Traditionele partijen zitten vol met dit type gepolitiseerde ambtenaren en schoolmeesters die volkomen focussen op de inhoud. Zij hebben weinig of geen aanleg om die inhoud in een voor iedereen begrijpelijke vorm te gieten.
Cohen zal vast worden vervangen, maar het structurele probleem is daarmee niet opgelost. Een andere ambtenaar of schoolmeester zal het niet veel beter doen.

Column: Onparlementair taalgebruik

Nu traditionele politieke partijen steeds meer electoraal terrein moeten prijsgeven aan nieuwe partijen, veranderen niet alleen het politieke landschap, maar ook de politieke omgangsvormen. Dat zien we in de lokale politiek, maar deze week was ook in het Nederlandse parlement een staaltje van deze nieuwe politieke mores te zien.
Toen Rutte doelbewust de woorden van een PVV’er verdraaide, riep Wilders naar Rutte dat hij ‘eens normaal moet doen’. Rutte verloor ook even zijn decorum en brieste terug dat Wilders ‘zelf normaal moest doen. Man!’ Maar de crux is nu juist dat Wilders geen normale politicus is die zijn medeparlementariërs ziet als opponenten. Wilders’ PVV heeft een vijanddenken in het politiek debat geïntroduceerd, waarbij andersdenkenden worden weggezet als ‘gevaarlijk’, ‘idioot’, ‘schoothondjes’ en meer van dat soort fraaie kwalificaties.
Traditionele politici, zeker van de grote partijen, behandelden vroeger hun concullega ’s met een zeker respect en hoffelijkheid. Het huis van de democratie moest een plek zijn waar waardig en inhoudelijk van gedachten wordt gewisseld met politici die een andere mening zijn toegedaan. De grote volkspartijen hadden ook lange tijd een soort van ‘verheffingsideaal’, waarbij men als voorbeeld moest dienen voor de gewone burger. Maar nu wordt Henk en Ingrid niet meer geleerd dat ze zich netjes moeten gedragen. Het journaille roept in koor dat eindelijk ‘de taal van de gewone man’ in het parlement te horen is. Eindelijk niet meer die saaie debatten, maar spektakel.
Een andere Henk, Henk te Velde, hoogleraar vaderlandse geschiedenis, waarschuwt in NRC voor het verlies aan hoffelijkheid en het veelvuldig gebruik van persoonlijke aanvallen. Maar Wilders weet als geen ander dat ‘conflict-nieuws’ verkoopt en is al vijf jaar in staat alle media-cycles in Nederland te domineren. De wanhoop werd door Rutte in het begrotingsdebat mooi onder woorden gebracht: ‘we proberen al vijf jaar een antwoord te vinden op de heer Wilders’ zei hij. En het is waar. De andere partijen zijn nog steeds niet in staat een daadwerkelijke dialoog met Wilders aan te gaan. Die gaat Geert met behulp van tweets, sms’jes en beledigingen ook zorgvuldig uit de weg. Over de hoofden van zijn ‘politieke vijanden’ in de Kamer spreekt hij rechtstreeks tegen ‘het volk’, in de taal van ‘het volk’, met uitspraken die ‘het volk’ wil horen.
Maar ‘het volk’ bestaat niet. Slechts vijftien procent van de Nederlanders stemt op Wilders en van die overige 85 procent zullen weinigen zijn gedrag waarderen. Maar die ‘kunnen allemaal de boom in.’

Column: Democratische Duitsers

 

In VNG Magazine stond een interessant artikel over de Nederlandse CDA-politicus Frans Willeme, die zich kandidaat heeft gesteld voor het burgemeesterschap van de Duitse gemeente Nordhorn. Ja, Duitsers zijn namelijk veel democratischer dan Nederlanders.

Het is in Duitsland en andere omringende landen heel gewoon dat een deel van de uitvoerende macht in gemeenten – de burgemeester – rechtstreeks wordt gekozen door de bevolking. Duitsers kunnen dus zowel hun zegje doen over de samenstelling van de gemeenteraad als van het college. Overigens niet overal, er zijn ook gemeenten in Duitsland waar de gemeenteraad de burgemeester uit zijn midden kiest. Maar in ieder geval wordt de burgemeester aangesteld door middel van verkiezingen en niet door een benoemingsprocedure, zoals in Nederland.

Er zijn al veel voorstellen gedaan om het gemeentebestuur op een democratischer wijze tot stand te laten komen. In Nederland is daarvoor al sinds de jaren zeventig een ruime meerderheid, maar de traditionele partijen, vooral CDA, VVD en PvdA, zijn er fel op tegen. Vanuit welbegrepen eigenbelang: deze partijen krijgen namelijk simpelweg de meeste burgemeestersposten toegeschoven.

Overigens is binnen deze traditionele machtspartijen ook wel eens iemand opgestaan die opperde dat het benoemen van burgemeesters eigenlijk toch niet meer van deze tijd is, maar die suggestie wordt dan natuurlijk al snel afgedaan als riskant en onverantwoordelijk.
Dat merkte ik ook toen ik recent – in een niet nader te noemen grote gemeente – opperde om burgers meer invloed te geven op het stadsbestuur. Ik heb samen met Leefbaar Rotterdam een aantal varianten ontwikkeld om het Nederlandse bestuur te moderniseren. Een van de voorstellen is om niet alleen de burgemeester rechtstreeks te laten kiezen, maar ook de wethouders.

Al tijdens de presentatie merkte ik onrust op de tribune. Al snel kwamen de tegenwerpingen van de zittende raadsleden, wethouders en natuurlijk ook van de benoemde burgemeester. ‘Dit is duidelijk wetenschappelijke luchtfietserij’, ‘dit kan nooit werken’ en ‘dit leidt tot chaos.’ Een van de aanwezigen suggereerde zelfs dat burgers onmogelijk een goede keuze kunnen maken, omdat ze immers de lokale politici niet kennen.

Het is de omgekeerde wereld: omdat burgers niet weten wat er politiek gaande is, moet er geen democratisering plaatsvinden. Toen ik voorzichtig suggereerde dat bij een echte verkiezing de kandidaten waarschijnlijk campagne gaan voeren en zij dus veel burgers persoonlijk zullen ontmoeten, schudden de aanwezigen moedeloos hun hoofd. Wat een oerdom voorstel van zo’n kamergeleerde, want potentiële wethouders zouden hun onderlinge verschillen gaan benadrukken. ‘Ja’, wierp ik nog tegen, ‘dat is juist de bedoeling, dan valt er wat te kiezen.’

Al snel werd mij duidelijk dat politici alleen op zoek zijn naar argumenten om democratische verdieping tegen te gaan, niet naar mogelijkheden en experimenten om te kijken hoe burgers meer invloed kunnen uitoefenen.
De eerste democratische vluchteling vanuit het CDA heeft het helaas net niet gehaald; hij kwam 57 stemmen tekort.

Column: Slechte rapporten

 

Bij het lezen van VNG Magazine van 26 augustus kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken. Het magazine doet verslag van de door Berenschot verrichte evaluatie van Rekenkamer-onderzoeken. Er is vooral kritiek op de manier waarop onderwerpen worden gekozen en op de kwaliteit van de aanbevelingen die uit de onderzoeken voortkomen.

Ik glimlachte natuurlijk niet omdat ik blij ben dat Rekenkamers onder de maat presteren, maar omdat ikzelf in een eerder evaluatieonderzoek met twee collega’s tot vrijwel dezelfde conclusies kwam. Ook wij constateerden in 2009 dat in veel Rekenkamerrapporten (in Amsterdam) een methodologische verantwoording ontbrak, het volstrekt onduidelijk was hoe de kwaliteitscriteria tot stand waren gekomen en dat de meting van succes- en faalfactoren zeer te wensen overliet.

Net als Berenschot constateerde onze evaluatiecommissie dat de selectie van de onderwerpen die door de Rekenkamer worden onderzocht, ondoorzichtig was en niet werd verantwoord. Ja, werd er tegen ons gezegd: de onderwerpen worden aangedragen door de rekenkamercommissie. Maar hoe de selectie uit die aangedragen onderwerpen tot stand kwam, heeft de Rekenkamer ons nooit kunnen uitleggen. En ook niet waarom er een onevenwichtige verdeling was over beleidsterreinen.

Wat ook uit beide evaluaties naar voren komt, is de lange tijd die men nodig heeft bij de Rekenkamer om slechte rapporten te maken. Tenslotte waren ook de kosten voor deze gebrekkige rapporten zeer hoog. Er is dus blijkbaar weinig veranderd in de werkwijze van de Rekenkamer.

Het lachen verging mij onmiddellijk toen ik las dat in de meeste gevallen de rapporten zeer serieus worden genomen door politici en dat de aanbevelingen vaak worden opgevolgd. Wacht even: dus slechte aanbevelingen uit ondermaatse rapporten vormen vaak de basis voor beleidsbeslissingen?

De toenmalige directeur van de Rekenkamer deed de kritiek laconiek van de hand en zei dat niemand geïnteresseerd was in de methodologie achter de rapporten. Dit wegwuiven van kritiek door wetenschappers en dedain voor accuratesse is een gevaarlijke ontwikkeling, die wordt versterkt door het populistische politieke klimaat. Steeds vaker worden critici aan de kant geschoven met een verwijzing naar hun vermeende (linkse) partijvoorkeur.

Het neerzetten van deskundigen als een ‘samenzwering van de ‘linkse kerk’ is inmiddels diep doorgedrongen in het openbaar bestuur. Het gaat nu zo ver dat rechter Buruma zich in dit klimaat gedwongen voelt zijn partijlidmaatschap op te zeggen, omdat anders PVV-stemmers zijn uitspraken niet zouden vertrouwen. Door in deze hysterie mee te gaan en geen onderscheid meer te maken tussen een professioneel oordeel en een politieke opvatting, glijdt het openbaar bestuur in Nederland steeds verder af.

Column: Bestuurslagenvirus

GESCHREVEN OP DONDERDAG, 18 AUGUSTUS, 2011 – 10:03
krouwelAndré Krouwel, politicoloog aan de VU en wetenschappelijk directeur van Kieskompas
Het gedoogkabinet van Wilders had een dapper besluit genomen. De stadsregio’s zouden worden afgeschaft. Dat was een logisch besluit omdat iedereen in het openbaar bestuur wel erkent dat de bestuurlijke drukte in Nederland te groot is en er te veel overlappende competenties tussen bestuurslagen zijn. Maar net als op het terrein van de veiligheid roept dit kabinet van alles en is er elke week wel een persbericht met ferme taal zonder dat er echt iets verandert.

Ook over het opheffen van bestuurslagen slaat dit kabinet wel ferme taal uit, maar minister Donner heeft al weer slappe knieën gekregen. In VNG Magazine lees ik dat Donner voorstander is van de vorming van een nieuwe bestuurslaag, de metropoolregio! ‘Het moet toch niet gekker worden’, hoor ik Geert al zeggen in het eerstkomende overleg tussen regeringspartijen CDA en VVD en gedoogpartner PVV.

Als ik het goed begrijp worden de ongeveer twintig stadsregio’s vervangen door zo’n vijf metropoolregio’s. Dat is dus alleen maar schaalvergroting, maar geen vermindering van de bestuurlijke drukte. Donner rechtvaardigt zijn schending van het regeerakkoord met het pragmatische argument dat de Randstad deze nieuwe bestuurslaag nodig heeft om ‘mee te kunnen blijven draaien in de Europese top’.

Wat zou ik graag bij het gedoogoverleg met Wilders aanwezig zijn als Donner dit tegen Geert zegt. ‘Ja, luister Geert, om in Europa mee te tellen moeten we een nieuwe bestuurslaag creëren’. Juist de geringe democratische controle op zowel de regiobesturen als op hetgeen zich in Brussel afspeelt, is een doorn in het oog van de PVV-leider.

En het wordt nog gekker. Evert Meijers van de TU Delft zegt in hetzelfde artikel dat ‘bewoners van zo’n gebied zich dan niet alleen inwoner voelen van Den Haag of Rotterdam, maar van de hele metropoolregio’.
Collega Meijers weet waarschijnlijk zeer veel over regiovorming, maar overduidelijk niets van identificatie van burgers met bestuurslagen. Burgers hadden helemaal niets met de stadsregio’s, daar hebben ze zelfs in referenda massaal tegen gestemd. En ze zullen ook helemaal niets krijgen met de metropoolregio’s. Burgers voelen zich vaak sterk verbonden met hun stad (of zelfs nog lokaler, de buurt) en met Nederland. Met de andere bestuurslagen heeft de gemiddelde burger helemaal niets. Men weet niet wie daar de scepter zwaaien, noch wat zo’n bestuurslaag nu precies doet.
Het is te hopen dat Geert geen slappe knieën krijgt en Donner op het matje roept tijdens dat eerstkomende overleg tussen regeringspartijen en PVV.

Column: Democratische Caïro

 

Vorige maand was ik in Caïro om een kieskompas te maken voor de aangekondigde verkiezingen later dit jaar in Egypte. De dag na aankomst ben ik natuurlijk onmiddellijk naar het Tahrirplein gegaan om met eigen ogen de ‘Egyptische revolutie’ te zien. Het was een indrukwekkende ervaring om al die Egyptenaren te zien vechten voor iets dat wij al lang hebben: een democratische grondwet en vrije verkiezingen.

Een van de belangrijkste eisen van de demonstranten is interessant voor het debat over het openbaar bestuur in Nederland. De betogers eisten vanaf het begin dat de gemeenteraad zou aftreden. Dat was een logische eis: de gemeenteraad van Caïro zat immers vol met leden uit de politieke vleugel van het oude regime, de NDP.
Na een hevige politieke en soms ook fysieke strijd is het stadsbestuur uiteindelijk afgetreden. De ‘gouverneur’ heeft het bestuur overgenomen. Maar dat is natuurlijk geen echte machtsovername, want ook dat heerschap is lid van de oude garde. Eigenlijk is in Egypte nog geen sprake van een echte revolutie, maar van een opstand. De oude machthebbers – simpel gezegd de militaire top – hebben alleen maar een paar mensen vervangen, maar niet de macht overgedragen aan een interim-regering met meer legitimiteit.

Terug naar de eisen van de betogers, waarvan Nederlanders iets kunnen leren. Het democratisch deel van de betogers eist niet alleen dat het stadsbestuur democratisch gekozen wordt in vrije en eerlijke verkiezingen, maar ook dat macht wordt gedecentraliseerd. De demonstranten willen niet langer dat het centrum – lees de legertop – alles beslist en eisen meer bevoegdheden voor het lokale openbare bestuur. Decentralisatie is een logische eis binnen de context van een autoritair regime waar alle macht was geconcentreerd in de handen van een kleine groep.

Nederland is geen autocratisch regime, maar wordt wel gekenmerkt door een ‘centralistische reflex’. Landelijke politici praten graag over decentralisatie, maar ziet daar in concrete gevallen toch altijd vanaf, uit angst om ongelijkheid te creëren tussen verschillende steden. Het gelijkheidsdenken in Nederland staat daadwerkelijke decentralisatie in de weg. Verschillen tussen gemeenten, in termen van niveau van dienstverlening of kosten is voor veel Nederlandse democraten onbespreekbaar.
Collega Andeweg constateerde ook al dat Tweede Kamerleden onmiddellijk op hoge toon klagen als de leges in de ene gemeente veel hoger is dan in de andere. En als de onroerend-zaak belasting (OZB) forst stijgt, komen ministers onmiddellijk met een plan om die af te schaffen.

Toen ik het Tahrirplein weer verliet dacht ik: ‘we kunnen in Nederland nog veel leren van deze betoging voor meer democratie.’

Column: Gemeenten in een dwangbuis

 

In VNG Magazine 13 van 24 juni velt hoogleraar Hans Engels een hard oordeel over het Bestuursakkoord. Volgens hem misbruikt de regering gemeenten als uitvoeringsorgaan in plaats van hen te behandelen als een volwaardige partner.

Er is volgens de hoogleraar bij de centrale overheid ook een groot wantrouwen over de kwaliteit van het lokale bestuur. Via oekazes van boven af wordt het gemeenten verboden hun beleidsvrijheid te gebruiken om de enorme bezuinigingen te compenseren met hogere lokale belastingen.

Een rechtse regering legt dus haar beleid op aan alle gemeenten, zelfs waar de bevolking in meerderheid tegen dit rechtse bezuinigingsbeleid heeft gestemd en linkse partijen een meerderheid hebben.

Dat is volstrekt ondemocratisch. Stel je voor dat een gemeente de bezuinigingen op de cultuur en het onderwijs wil compenseren met hogere bijdragen van de lokale bevolking en deze daarmee akkoord gaat. Het is ongehoord dat de centrale overheid dan een uniform keurslijf opdringt aan deze lokale politieke gemeenschap. Waarom kiezen we dan een gemeenteraad en vormen we een gemeentebestuur? Rutte en zijn ministers handelen alsof de autonomie van gemeenten nul is. Hierdoor zal het vertrouwen in de lokale politiek nog verder afnemen.

Het is tijd dat we een drastische heroverweging maken in het openbaar bestuur langs twee lijnen: meer decentralisatie en vooral vergroting van het eigen belastinggebied van gemeenten en verdere ‘asymmetrie’ in bevoegdheden: niet iedere gemeente hoeft het precieze spiegelbeeld van de andere te zijn.

Lokaal gekozen politieke machtshebbers moeten kunnen inspelen op lokale omstandigheden; zij kunnen als beste inschatten welke wensen burgers hebben. Het CDA belijdt deze zienswijze altijd met de mond, maar weigert tot nu toe daadwerkelijke stappen naar verdere lokale autonomie te maken. Wel zijn allerlei bestuurslagen zonder democratische legitimatie (regiobesturen) ontstaan en zijn er diffuse verantwoordelijkheden bij de tussenlagen zoals de provincie en waterschappen.

Burgers hebben een sterkere binding met hun gemeente. Meer dan met de andere bestuurslagen onder het Rijk. De commissie Kalden stelde terecht dat het middenbestuur moet wordt opgeheven en dat taken van provincies en waterschappen moeten worden overgeheveld naar gemeenten en het Rijk. Kalden constateert net als Engels dat de onderlinge relaties tussen het Rijk en lagere overheden op wantrouwen zijn gebaseerd en dat een opeenstapeling van regelgeving en controlemechanismen er toe hebben geleid dat de overheid te complex is geworden. Er is dus een fundamentele verschuiving van verantwoordelijkheden nodig.

Bij deze overheveling moet recht worden gedaan aan lokale verschillen. Niet alle gemeenten hoeven dezelfde taken en bevoegdheden te hebben. Die symmetrie moet plaatsmaken voor asymmetrische verhoudingen zodat variatie ontstaat in de onderlinge machtsverhouding tussen het politieke centrum en regio’s of steden.

Er is nu al een sluipende differentiatie tussen gemeenten, zonder een duidelijk wettelijk kader en zonder de benodigde financiële slagkracht. De Nederlandse samenleving is niet homogeen, maar kent belangrijke culturele, economische en politieke verschillen tussen gebieden. De regering moet dat erkennen en gemeenten de autonomie geven die ze nodig hebben om tegemoet te komen aan de wensen van inwoners.
Het wordt de hoogste tijd dat het Rijk gemeenten uit hun dwangbuis verlost.

Column: Consensusdemocratie erodeert

Nederland is sinds de vorige verkiezingen een ander land. Niet alleen omdat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog de liberalen als grootste partij uit de bus zijn gekomen, maar vooral omdat we voor het eerst een minderheidskabinet hebben. Dat is een scherpe breuk met het verleden, waarin Nederland een sterke traditie had van het overbruggen van sociale conflicten door de vorming van brede coalities.

Regeringspartijen slaagden er vaak in om hun eigen leden en kiezers te overtuigen van het nut van de gesloten compromissen, zelfs als dat tegen de eigen belangen indruiste. Dit zoeken naar een ‘breed draagvlak’ werd in de jaren negentig ook vanuit het buitenland met bewondering bekeken.

Ons kiesstelsel – een puur proportioneel systeem – is primair gericht op vertegenwoordiging en niet op de vorming van een sterke uitvoerende macht. De Nederlands-Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart gaf de naam ‘consensusdemocratie’ aan ons stelsel van formele instituties en informele overlegstructuren. Lijphart contrasteerde dat systeem met meerderheidsstelsels (majoritarian democracies), waarin minderheden hun wil kunnen doordrukken tegen de wil van de meerderheid. In meerderheidsstelsels zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië kunnen partijen met dertig tot veertig procent van de stemmen een meerderheid aan zetels behalen en hun wil opleggen aan de zestig tot zeventig procent van de bevolking die niet op hen heeft gestemd.

De regering Rutte – ook een minderheid – poogt hetzelfde te doen binnen onze consensusdemocratie. En dat gaat natuurlijk mis. Terwijl het kabinet slechts steunt op een minderheid van het volk – zoals de Senaatsverkiezingen nog eens hebben bevestigd – poogt het toch zijn bezuinigingsagenda door te drukken. Dat zal leiden tot veel maatschappelijk ongenoegen en conflict.

Onze consensusdemocratie werd voorheen gekenmerkt door geringe sociale onrust en goede verhoudingen van regeringen met belangenorganisaties. Die belangenorganisaties hebben echter hun sociale antennes verloren en maken daardoor vaker een verkeerde inschatting over wat de achterban wil. Ook zijn zij minder in staat hun achterban te overtuigen dat het uit onderhandelde compromis acceptabel is.

Ook de VNG lijkt dit mankement te vertonen. In april was het VNG-bestuur akkoord gegaan met een Bestuursakkoord waarin grote bezuinigingen op sociale (werk)voorzieningen stonden. VNG-voorzitter Jorritsma – zelf een VVD-er – had duidelijk een verkeerde inschatting gemaakt van wat acceptabel was voor haar achterban en moest op haar schreden terugkeren. Afgelopen week adviseerde zij haar leden om tegen een akkoord te stemmen dat ze zelf had gesloten.

De Nederlandse consensusdemocratie erodeert, omdat zowel politieke partijen als belangenverenigingen steeds minder voeling hebben met hun achterban en minder in staat zijn hun achterban pijnlijke compromissen te laten accepteren. Dat vermogen moet worden hersteld, want in onze consensusdemocratie kunnen minderheden hun zin niet doordrijven.

Column: Gordijnen dicht

Vanuit het buitenland krijg je een ander perspectief op onze problemen. In Belgrado – vol demonstrerende nationalisten tegen de uitlevering van Mladic – moest ik denken aan de Nederlandse bezuinigingen. Gemeentelijke budgetten worden flink gekort, maar toch krijgt geen enkele Nederlandse stad daardoor dezelfde armoedige aanblik als Belgrado.

Toch weet ik zeker dat internationale samenwerking – bijvoorbeeld in de vorm van stedenbanden – het eerste slachtoffer is van bezuinigingen. Je hoort de argumenten al door de raadzalen vliegen: ‘wat hebben onze eigen burgers aan die snoepreisjes van burgemeesters en ambtenaren’, ‘waarom besteden we dat geld niet in onze eigen gemeente waar ook nog zo veel te doen valt?’

Twintig jaar na de val van het IJzeren gordijn heeft Nederland nu zelf de gordijnen gesloten. De blik is naar binnen gekeerd en ontwikkelingssamenwerking is een smerig woord geworden, het equivalent van ‘verspilling’ of ‘linkse hobby’s’. Toch is investeren in de West-Balkan – ‘het zwarte gat van Europa’ – absoluut geen geld over de balk smijten. Wanneer een deel van Europa verpaupert, krijgen we daar vroeg of later de rekening van gepresenteerd. Armoede is de beste voedingsbodem voor politiek extremisme en vijanddenken.

Economische ontwikkeling beperkt ook de immigratie: veel Italiaanse en Spaanse immigranten die in de jaren dertig en veertig naar Nederland waren gekomen, gingen weer terug toen het economisch beter ging met hun land in de jaren vijftig en zestig.

Door een beperkt deel van onze welvaart te investeren in samenwerking, ontstaan lange termijnvoordelen. We laten aan Serviërs, Kroaten, Bosniërs en Montenegrijnen zien dat zij bij het welvarende Europa horen en naar aansluiting moeten blijven streven. Natuurlijk moet je niet naïef en blind zijn voor de corrupte versmelting van het bedrijfsleven en de politiek op de Balkan. Maar er zijn veel goedwillende burgers die wel degelijk pogen een rechtsstaat te vestigen en hard werken aan en meer democratisch politiek regime. Als we onze rug toekeren, zullen velen van hen deze pogingen staken. Niet omdat ze niet geloven in de democratie of uitsluitend ‘subsidie-slurpende’ nep-democraten zijn, maar gewoon omdat ze ook gezinnen hebben die moeten eten.

Maar nog belangrijker is het om te laten zien dat ook in tijden dat het met ons slechter gaat – buiten de schuld om van onze eigen burgers – we niet alleen aan onszelf denken. Dat is nou een Judeo-Christelijke, westerse waarde die we moeten verdedigen.